Ik ben in de buitenteelt de frambozenplanten aan het vastbinden. Toen we vorig jaar met deze planten begonnen zijn, waren deze tussen de 80 en 120 cm. De nieuwe scheuten die er bij gegroeid zijn, de planten voor dit jaar dus, zijn tussen de 1.75 en 2.5 meter. Puur productie en cijfermatig bekeken zitten op een lengte plant een aantal ogen. Uit die ogen komen de vruchtstengels en daaraan komen de frambozen. Een langere plant heeft meer ogen dus zo bezien geeft die ook meer frambozen.
Dat belooft wat voor de oogst dit jaar!
Na het aanbinden gaan we de planten zoals dat heet toppen. Dat houdt in dat je ongeveer tien centimeter van de bovenkant afknipt. Dit wordt gedaan om de zgn. apdicale dominantie te breken en zo het uitlopen van de ogen tot onderaan de stengel te bevorderen. Apdicale dominantie houdt in dat de bovenkant van de frambozenstengel van nature het hardst wil groeien. Oorspronkelijk groeien ze in bossen en bosranden en streven in die halfschaduw toestand naar het spaarzame licht wat door het bladerendek van het bos binnen straalt. Door de bovenkant te toppen wordt als het ware de kraan van de groeikracht aan de bovenkant dichtgedraaid en de groeikracht naar onderen gericht waar deze meehelpt de onderste ogen te laten uitlopen.
Als de planten na het toppen water en voeding krijgen gaan de stengels zich volzuigen met water. Die resulteert in een prachtig mooie druppel aan het bovenste uiteinde van de plant waar ie geknipt is. Ik vind het magnefiek om zo een druppel vloeistof die helemaal door de plant is gegaan te proeven. Puur plantensap.
Weet je trouwens dat mensen iets van 22.000 soorten genen hebben maar planten wel 40.000!? Van die kleine dingen...
Groet
Carlo
Geen opmerkingen:
Een reactie posten